Sinds 2006 heeft de hoofd-hals chirurgie afdeling van het NKI/AvL een door de KNMG erkende stage opleiding Hoofd-Hals Oncologie voor arts assistenten in opleiding tot KNO arts. Arts-assistenten uit het AMC, die al langere tijd hier hun oncologie stage lopen, vallen nu onder deze stage-opleiding.
Folder download voor alle AIOS http://knmg.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_100_TICH_R21125946667703 ![]()
Specifieke leerdoelen en eindtermen:
De stage hoofd-halsoncologie en -chirurgie biedt de AIOS KNO-Heelkunde van het Academisch Medisch Centrum (AMC) de gelegenheid om gedurende een periode van 4 maanden kennis en vaardigheden op te doen met betrekking tot diagnostiek, behandeling en revalidatie van hoofd-halsoncologische patiënten en patiënten met benigne hoofd-halstumoren.
Specifieke leerdoelen:
Eindtermen:
Zie opleidingseisen besluit CCMS no. 3-2003 (PDF-file).
Opleidingsschema stage hoofd-halsoncologie en – chirurgie voor AIO'S KNO-Heelkunde AMCDuur: 4 maanden
Weekschema*:
| Maandag: | 08.00 – 08.15 | Algemene overdracht (conferentiekamer) |
| 08.15 – 15.00 | OK | |
| 15.00 – 16.30 | Multidisciplinair overleg (afdelingsproblematiek, voordracht nieuwe patiënten door AIOS, problemen polikliniek, voorbespreken OK programma) | |
| Dinsdag: | 08.00 – 08.15 | Algemene overdracht (conferentiekamer) |
| 09.00 – 12.30 | Polikliniek (anamnese/diagnostiek, regelen vervolgafspraken inclusief correspondentie nieuwe patiënten, consulten ander specialisme, controles) | |
| 13.30 – 16.30 | Idem | |
| 16.30 | Preoperatieve screening OK patiënten | |
| Woensdag: | 08.00 – 08.15 | Algemene overdracht (conferentiekamer) |
| 08.00 – 16.00 | OK, eventueel poli-OK in de ochtend | |
| 16.30 – 17.30 | Algemene Multidisciplinaire Oncologische bespreking (DC Auditorium) | |
| 17.30 | Preoperatieve screening OK patiënten | |
| Donderdag: | 08.00 – 08.15 | Algemene overdracht (conferentiekamer) |
| 08.15 – 10.00 | Grote visite | |
| 10.00 – 16.00 | OK | |
| Vrijdag: | 08.00 – 08.15 | Algemene overdracht (conferentiekamer) |
| 09.00 – 12.30 | Polikliniek (anamnese/diagnostiek, regelen vervolgafspraken inclusief correspondentie nieuwe patiënten, consulten ander specialisme, controles) | |
| 12.30 – 13.30 | Radiologiebespreking (1 x/ 4 weken) | |
| 13.30 – 16.00 | Terugkommiddag AMC |
*Zie voor andere verplichte activiteiten ‘Activiteitenlijst Werkgroep Hoofd-Halstumoren’
Multidisciplinaire stages:In het stageopleidingsschema worden 2 dagen besteed aan radiotherapie en medische oncologie waartoe de stagist met de vertegenwoordigers van deze disciplines 1 dag in de kliniek ‘meeloopt’. Ook is een introductiestage radiologie van 1 dag inbegrepen.
Het CCMS Kaderbesluit beschrijft de algemene competenties van een medisch specialist en clustert deze in een zevental competentiegebieden. Algemene competenties gelden, zoals de naam al aangeeft, in meer of mindere mate voor alle medisch specialisten. In deze paragraaf wordt beschreven wat de competenties uit het Kaderbesluit betekenen voor het KNO specialisme. Deze competenties krijgen later in dit rapport een themagerelateerde uitwerking waarbij de competenties worden geoperationaliseerd, zodat de AIOS ook op meer gedetailleerd niveau weet wat van hem/haar wordt verwacht.
De KNO-arts bezit een brede kennis en heeft de beschikking over een breed arsenaal aan diagnostische vaardigheden die hem in staat stelt gegevens te verzamelen en te interpreteren. Hij heeft kennis van de normale anatomie en de (patho)fysiologie voor zover van belang voor de KNO-heelkunde. Hij definieert een juiste hulpvraag en neemt een relevante en accurate (hetero)anamnese af. Hij verricht op adequate wijze het KNO-onderzoek en vult dit aan met de noodzakelijke diagnostische ingrepen en overige procedures om gegevens te verzamelen, te analyseren en te interpreteren. Op basis daarvan stelt hij waar mogelijk evidence based de juiste therapie in. De operatieve vaardigheden van de KNO-arts beantwoorden aan de algemeen aanvaarde eisen van dit moment. De peri-operatieve zorg is optimaal en de post-operatieve zorg heeft de grootst mogelijke aandacht; eventuele complicaties worden op de juiste wijze behandeld. Patiënt en familie worden op adequate wijze begeleid. De KNO-arts herkent, en handelt adequaat bij noodsituaties. Hij blijft kalm, handelt op de juiste wijze en weet goed zijn prioriteiten te kiezen
Om een hoge kwaliteit van patiëntenzorg en een hoge mate van tevredenheid van patiënten te kunnen waarborgen, moet de KNO-arts in staat zijn effectieve relaties te onderhouden met patiënten en hun omgeving. Dit houdt ondermeer in, dat de KNO-arts in voor de patiënt begrijpelijke bewoording de indicaties voor onderzoek en behandeling uitlegt. Ook vraagt de KNO-arts om instemming waar nodig, overlegt over het beleid en checkt het begrip van de gang van zaken bij de patiënt en zijn omgeving. Deze hebben een eigen verantwoordelijkheid voor hun gezondheid en de arts spreekt hen hier op adequate wijze op aan. Goede communicatieve vaardigheden zijn essentieel voor het verkrijgen van informatie van de patiënt, het geven van informatie aan de patiënt en/of de familie en/of anderen in de directe omgeving van de patiënt. Daarnaast zijn communicatieve vaardigheden essentieel in het onderkennen van behoeften, verwachtingen, angsten en hoop van de patiënt en diens familie met betrekking tot zijn ziekte. De KNO-arts besteedt bij doven en slechthorenden extra aandacht aan voornoemde aspecten van communicatie. ‘Informed consent’, zoals beschreven in de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO), past geheel binnen adequate communicatie. Verder is de KNO-arts verantwoordelijk voor een adequate verslaglegging en statusvoering, alsmede adequate en tijdige correspondentie. Hiertoe behoort een zorgvuldige overdracht van patiëntgegevens aan de medebehandelaar.
De KNO-arts werkt goed samen met de leden van de vakgroep. Er vindt regelmatig overleg plaats, zowel structureel als ad hoc. De werkafspraken zijn voor iedereen duidelijk. De KNO-arts werkt in teamverband samen met verpleging, ok-personeel en polimedewerkers. De KNO-arts respecteert hun vaardigheden en beperkingen en is in staat op juiste wijze te delegeren. Hij neemt deel aan interdisciplinair overleg met de andere specialismen en zorgt voor snelle en effectieve intercollegiale consulten. Hij schakelt op tijd en op correcte wijze (para)medische collega’s in. Hij zorgt voor adequate verwijzing, indien de diagnose, dan wel de behandeling van een bepaald ziektebeeld daarom vraagt. Dit veronderstelt inzicht in de grenzen van de eigen deskundigheid, maar ook bekendheid met afspraken en richtlijnen. De samenwerking met de eerste lijn is van groot belang. Er vindt regelmatig overleg plaats met het management van de organisatie. De verwachtingen over en weer zijn duidelijk. Van de KNO-arts mag een bepaalde mate van managementparticipatie worden verwacht. Diensten worden in goed overleg afgesproken en de bereikbaarheid voor de acute zorg, ook overdag, is goed.
Deze competentie betreft niet het hebben van die kennis die noodzakelijk is voor het stellen van een diagnose of het opstellen van een behandelingsplan. Dit valt onder de competentie medische handelen.
Het gaat hier veel meer om het vermogen om klinische vraagstellingen te formuleren en doelmatig te zoeken naar de meest betrouwbare medische literatuur (evidence based medicine). Waar medische kennis snel veroudert, is de KNO-arts gedwongen zijn kennis actueel te houden. Daarbij moet hij de literatuurgegevens op de juiste waarde kunnen schatten (critical appraisal) en een onderscheid kunnen maken in dat wat voor hem en de patiënt van direct belang is en wat niet. Van een medisch specialist mag daarnaast verwacht worden dat hij zelfstandig wetenschappelijk onderzoek kan opstarten dan wel in staat is daaraan mee te werken. Hierbij verliest hij de medische ethiek niet uit het oog. In het kader van het hierboven gemelde heeft hij een open en kritische houding naar de farmaceutische industrie.
Niet alleen de theoretische medische kennis, maar ook de chirurgische knowhow binnen de KNO-heelkunde is aan verandering onderhevig. Nieuwe vaardigheden moeten verworven worden en bestaande ervaring moet onderhouden dan wel uitgebreid worden. Iedere KNO-arts is op de hoogte van zijn precieze kennis en kunnen en is in staat een persoonlijk bij- en nascholingsplan op te stellen passend bij zijn leerbehoefte. Zijn attitude is er een van “life long learning”. Bij deze competentie hoort ook het leveren van een bijdrage aan het onderwijs aan (co)assistenten, indien aanwezig en overige medewerkers binnen de organisatie
Om efficiënt en effectief te functioneren als KNO-arts is het noodzakelijk dat hij zich inspant voor een goede organisatie. In feite functioneert de KNO-arts als manager van zijn eigen werkzaamheden, maar
ook van die van anderen. Besluiten moeten worden genomen met kennis van mogelijkheden en beperkingen binnen de ziekenhuisorganisaties. Er is een belangrijke relatie met de competentie samenwerking, in het bijzonder daar waar deze samenwerking is geformaliseerd. Wachttijden en uitloop van spreekuren moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Assistentie wordt zodanig ingezet dat de kwaliteit van de zorg wordt verbeterd. Daar waar mogelijk is de KNO-arts in staat te delegeren en te zorgen voor adequate feedback. Indien gewenst worden themaspreekuren ingesteld. Hij maakt optimaal gebruik van de mogelijkheden die ICT biedt. Bij acute medische problemen heeft de KNO-arts een goed idee hoe adequaat en snel te handelen al dan niet op basis van (schriftelijk vastgelegde) afspraken. Daar waar nodig werkt de KNO-arts mee aan initiatieven die van belang zijn voor de gehele ziekenhuisorganisatie. Onder de bekwaamheid organiseren valt ook de vaardigheid van de specialist om te zorgen voor een goede balans tussen patiëntenzorg en persoonlijke ontwikkeling en een goede balans tussen werk en privéleven.
De KNO-arts kent en herkent de determinanten van de verschillende KNO-ziektebeelden. Hij is zich bewust van de invloed van roken, het gebruik van alcohol en ander factoren op de gezondheid en vergroot het inzicht hier omtrent van de maatschappij in zijn geheel en de individuele patiënt in het bijzonder. Preventie van ziekte heeft de hoogste aandacht. Hij strijdt voor een goede toegankelijkheid van de zorg. Daarbij heeft hij oog voor het kosteneffect. Indien nodig vervult hij een rol in het maatschappelijke debat. Hij gaat zorgvuldig om met de media en spreekt bij voorkeur na overleg met zijn wetenschappelijke vereniging. Hij levert een bijdrage aan het verbeteren van de zorg door een actieve rol bij het opleiden van toekomstige collega’s.
De KNO-arts levert hoogstaande patiëntenzorg op integere, oprechte en betrokken wijze. Hij integreert op adequate wijze de hiervoor genoemde competenties. Hij is zich bewust van de invloed die een ziekte heeft op de patiënt en zijn omgeving. Hij stelt het belang van de patiënt centraal. Hij neemt verantwoordelijkheid voor zijn handelingen en bewaart de juiste balans tussen persoonlijke en professionele rollen. Hij kent de grenzen van zijn competenties en handelt daarbinnen, dan wel schakelt andere deskundigen op adequate wijze in. Hij stelt zich toetsbaar op. Hij registreert op verantwoordelijke wijze zijn complicaties volgens de normen van zijn wetenschappelijke vereniging en participeert in het visitatiesysteem van diezelfde vereniging. Hij herkent ethische dilemma’s, heeft inzicht in de ethische normen en houdt zich aan de wetgeving. Hij is zich bewust van zijn voorbeeldfunctie binnen de gezondheidszorg.
Het domein van de KNO-opleiding bestaat uit de keel-, neus- en oorheelkunde en de heelkunde van het hoofd-halsgebied. Doel van de opleiding is het opleveren van een competente KNO-arts. Met dat doel voor ogen geldt, dat alle onderwijsinterventies tijdens de opleiding moeten bijdragen aan het verwerven en optimaliseren van die competenties waarover de KNO-arts ten minste moet beschikken.
Deze vakspecifieke competenties staan op de themakaarten. (Zie bijlage G)
De vijfjarige opleiding KNO-heelkunde bestaat uit een basisdeel van vier jaar en een differentieel gedeelte van één jaar. Van het basisdeel wordt ten minste 24 maanden in A-klinieken (= universitaire KNO afdeling) doorgebracht en de overige maanden in B-klinieken (= perifere KNO afdeling).
In de A-klinieken ligt het onderwijsaccent op de basisvaardigheden, basiskennis en subspecialisatie. In de B-klinieken worden routine en de diverse algemene competenties meer benadrukt. De opleiding krijgt grotendeels vorm middels werkplekleren, dat ingevuld wordt in overleg tussen AIOS en opleider in de vorm van stages. Een stage is een gedeelte van de opleiding dat wordt gevolgd bij een opleidingsinrichting en dat is omschreven wat betreft duur, inhoud en verplichte of facultatieve status. Naast werkplekleren wordt aandacht besteed aan theoretisch onderwijs.
Tijdens het differentiële gedeelte is de AIOS verplicht een opleidingsaccent te kiezen na overleg met de opleider en in overeenstemming met de toekomstige loopbaaninvulling. Hij kiest hierbij uit otologie, rhinologie, laryngologie of hoofd-halschirurgie. Daarnaast volgt hij facultatief ten hoogste twee van de onderwijsmodules sociale geneeskunde, diagnostiek en revalidatie, onderwijs, wetenschap. In het Specifiek Besluit van het CCMS staan nadere details.
Gedurende de opleiding kan naar aanleiding van een voortgangsgesprek, beoordelingsgesprek of een eindbeoordeling worden besloten tot een individueel geïntensiveerd begeleidingstraject. De AIOS krijgt dan aanvullende begeleiding tijdens een in tijd omschreven deel van de opleiding met als doel het herstellen van de vertraging in de competentieontwikkeling van de AIOS.
Schematisch overzicht van de inrichting van de KNO-opleiding:
Uitgangspunt |
Vorm |
Opbouw |
Output |
||
4 jaar |
1 jaar |
||||
competentie-profiel van de KNO-arts
vakspecifieke competenties |
|
Basis
|
kbs kbs accentkaart 1 sta kbs accent 1 accententkaart sta
|
competente KNO-arts |
|
theoretisch onderwijs |
Examen Collegium Chirurgicum; basisoriëntatie keel, neus- en oorheelkunde deel I en II |
cursorisch onderwijs |
cursorisch onderwijs (1 verplicht & max 2 facultatief) |
||
Voor opleidingsdoeleinden zijn negentiental thema’s benoemd die gezamenlijk het volledige KNO-domein omvatten. Een thema is te zien als een onderdeel van het KNO-heelkunde specialisme waarin logisch samenhangende beroepsactiviteiten of beroepssituaties zijn geclusterd [1]. De thema’s staan beschreven op themakaarten (zie bijlage: G). Deze beschrijvingen operationaliseren de in een thema centraal staande competenties. De kaart vermeldt ook de Kritische BeroepsSituaties (KBS), vereiste kennis en kritische vaardigheden. De themakaarten geven richting aan het onderwijs, de toetsing en de beoordeling. In het basisdeel komen alle thema’s aan bod.
Te overwegen is een apart thema op te nemen dat handelt over praktijkvoering en management. In dit boek is er voor gekozen dat niet te doen, met als argument dat juist de integratie van de daaronder vallende competenties in de thema’s 1 t/m 19 een belangrijk onderdeel van de modernisering uitmaakt. Omdat expliciete aandacht voor diverse aspecten van praktijkvoering en management een nieuw fenomeen in de opleiding is, zijn in een aparte bijlage (zie bijlage F - Checklist praktijkvoering en management) diverse aandachtspunten op een rijtje gezet. Ook wordt hier in vermeld welke literatuur voor dit onderdeel beheerst dient te worden. De opleider en AIOS krijgen met deze checklist een extra mogelijkheid na te gaan of deze aspecten tijdens de opleiding voldoende aan de orde komen.
In de themakaarten wordt ook richting gegeven aan toetsing en beoordeling. Dit gebeurt aan de hand van het beschrijven van Kritische BeroepsSituaties, Kennis en Kritische Vaardigheden.
De gekozen situaties zijn exemplarisch en door de opleider en AIOS naar behoefte aan te passen met andere KBS-en. De KBS helpt de AIOS en de opleider te focussen op bepaalde competenties. (Zie tevens H. 4.2.3.)
Verder zijn per thema de vereiste kennis en vaardigheden benoemd. De vaardigheden hebben voornamelijk betrekking op het competentiegebied Medisch Handelen. Een steekproef van kritische vaardigheden, die iedere AIOS uiteindelijk zonder meer moet beheersen, is bovendien opgenomen in de lijst Kritische Vaardigheden in bijlage E. De vaardigheden zijn zo gekozen dat verschillende vaardigheden zoals algemene handvaardigheid, microchirurgische handvaardigheid en “handeling” van complicaties en onverwachte incidenten een representatieve steekproef zijn uit het gehele vaardighedenpalet van de KNO-arts. Door deze lijst regelmatig te gebruiken kan de ontwikkeling van de aois in de tijd gevolgd worden. Het staat de opleider en AIOS vrij naar behoefte vaardigheden toe te voegen.
De functie van deze lijst komt overeen met de functie van de KBS: focussen van aandacht voor onderwijs en toetsing. (Zie tevens H. 4.2.1 en 4.2.2.)
[1] Het betreft hier een duidelijk begrensd (onder)deel met een semi-zelfstandige status. Het begrip thema heeft voor de
KNO-heelkunde opleiding dezelfde strekking gekregen als het begrip module. Zie ook de voetnoot bij het voorwoord.
Thema 13 Oncologie
A. Beschrijving competenties
Competentiegebied |
De aios |
Medisch handelen |
|
Communicatie |
|
Kennis en wetenschap |
|
Samenwerking |
|
Organisatie |
|
Maatschappelijk handelen |
|
Professionaliteit |
|
B. Toetsing
Thema 13. Oncologie (KPB, staat voor Korte Praktijkbeoordeling) |
||||||||
Kritische Beroeps Situatie |
|
Medisch handelen |
Communicatie |
Kennis en wetenschap |
Organisatie |
Samenwerking |
Maatschappelijk handelen |
Professioneel gedrag |
Patiënt aan wie wordt verteld dat hij een maligniteit heeft |
|
KPB |
|
|
|
|
KPB |
|
Palliatieve begeleiding/zorg bij een terminale patiënt |
|
KPB |
|
KPB |
KPB |
|
KPB |
|
Organisatie van het diagnostisch traject bij een patiënt met een verdenking op een hoofd hals maligniteit |
|
|
|
KPB |
KPB |
|
|
|
Het geven van leefregeladviezen aan een patiënt met een nicotine- en alcohol afhankelijkheid |
|
|
|
|
|
KPB |
KPB |
|
Kennis Zie literatuurlijst. |
Schriftelijke toetsing Examen chirurgische basisvakken Referaat CAT (Critical Appraised Topic). Patientdemonstratie Papieren visite Grote visite |
|||||||
Vaardigheden Kwalitatief en kwantitatief aspect
|
Vaardigheden kunnen worden getoetst met: KOV OSATS (Objective Structured Assessment of Technical Skills) Gesuperviseerde dissectie Aantallen blijken uit schriftelijke rapportage. |
|||||||
AIOS vindt zichzelf bekwaam en bevoegd voor dit thema……………………………………………………… Opleider/Supervisor vindt AIOS bekwaam en bevoegd voor dit thema…………………………………………… |
||||||||