print deze pagina Normaal lettertype Groot lettertype

 

Inleiding

Maligne tumoren in het hoofd-halsgebied vormen, althans in de westerse landen, slechts een klein percentage van het totaal aantal maligniteiten bij de mens. De laatste jaren lijkt er een toename te bestaan, mogelijk ten gevolge van de veroudering en het toenemende gebruik van alcohol en tabak, die als belangrijkste etiologische factoren worden beschouwd. Tumoren in het hoofd-halsgebied nemen een speciale plaats in binnen de oncologie door hun lokatie in een gebied dat voor iedereen zichtbaar is en dat voor vele vrijwel onmisbare levensfuncties als eten, drinken, ademhalen, praten etc. bijzonder belangrijk is. De diagnostiek en behandeling van deze relatief zeldzame tumoren dient bij voorkeur te geschieden in daartoe gespecialiseerde centra, door een multidisciplinair team, dat moet kunnen beschikken over een hoofd-halschirurg, radiotherapeut, plastisch chirurg, kaakchirurg, patholoog, medisch oncoloog, beeldvormend diagnost en een tandarts-prothetist, hoofd-halsoncologie verpleegkundige, fysiotherapeut, logopedist en mondhygiënist.

Anamnese

Etiologische factoren

Risicofactoren

Klachten

Histologie

PA-onderzoek: Stans- of incisiebiopsie uit grensgebied; geen infiltratie anesthesie. Eventueel wigexcisie onder algemene anesthesie. Soms cytologie/naaldbiopt.

Diagnostiek

Minimaal vereist onderzoek:

T-classificatie

Afhankelijk van lokalisatie:

N-classificatie

M-classificatie: zie richtlijnen aldaar

Indeling van de hals

Niveau I:  submentale (Ia) (begrensd door voorste buiken van de musculi digastrici, kin en hyoïd) en submandibulaire (Ib) (begrensd door mandibula, hyoïd en de musculus digastricus) driehoek.
Niveau II: lymfklieren rond het craniale 1/3 van de vena jugularis interna en nervus accessorius gelegen. Begrensd door schedelbasis, het hyoïd (carotis-bifurcatie), achterrand van de musculus sternohyoïdeus en van de musculus sternocleidomastoïdeus. IIa: onder de N. accessorius, IIb: boven de N. Accessorius.
Niveau III: dit gebied ligt onder regio II. De overige grenzen zijn: de musculus omohyoïdeus (of onderrand cricoid) en de posterieure rand van de musculus sternocleidomastoïdeus.
Niveau IV: laag-jugulaire lymfeklieren. Grenzen: musculus omohyoïdeus (of onderrand cricoid), de musculus sternohyoïdeus, de clavicula en de achterrand van de musculus sternocleidomastoïdeus.
Niveau V: klieren in de achterste halsdriehoek. Grenzen: de achterrand van de musculus sternocleidomastoïdeus, de musculus trapezius en de clavicula. In deze regio liggen dus de lymfeklieren rond het caudale gedeelte van de nervus accessorius, rond de arteria transversa colli en de supraclaviculaire lymfklieren. IIa: boven niveau cricoid onderrand. IIb: onder niveau cricoid onderrand.
Niveau VI bevat de lymfeklieren tussen hyoïd, jugulum en de mediale begrenzing van de carotisschede.

TNM-classificatie

Stadiëring volgens TNM-classificatie (UICC 2002).

T-classificatie: afhankelijk van de primaire tumor.

N-classificatie (niet voor schildklier- of nasopharynxcarcinomen): 
N0:   geen klieren palpabel
N1:   metastase in ipsilaterale solitaire klier kleiner of gelijk aan 3 cm
N2a: metastase in solitaire ipsilaterale klier groter dan 3 cm, doch kleiner of gelijk aan 6 cm
N2b: metastasen in multipele ipsilaterale klieren kleiner of gelijk aan 6 cm
N2c: metastasen in bilaterale of contralaterale lymfeklieren kleiner of gelijk aan 6 cm
N3:   metastase in een lymfeklier groter dan 6 cm

M-classificatie:
M0:  geen aantoonbare metastasen op afstand
M1:  metastasen op afstand

Stadiumindeling

Stadium 0

Tis

N0

M0

Stadium I

T1

N0

M0

Stadium II

T2

N0

M0

Stadium III

T3
T1 T2

N0 N1
N1

M0
M0

Stadium IVA

T4a
T1-3

N0 N1 N2
N2

M0
M0

Stadium IVB

T4b
elke T

elke N
N3

M0
M0

Stadium IVC

elke T

elke N

M1

Prognosticeren

Behalve het TNM en stadium indelingssysteem kunnen via verschillende rekenprogramma's de prognoses worden geschat:

Model V. VanderPoorten, Leuven betreffende parotis carcinomen

Model Oncologiq, R.Baatenburg de Jong

Behandeling

Zie per tumorlokalisatie. 

De primaire, in opzet curatieve behandeling bestaat in principe, afhankelijk van de lokalisatie en grootte van het tumorproces, uit primaire chirurgie, radiotherapie of een combinatiebehandeling van beide modaliteiten of chemotherapie met radiotherapie met als doel een maximale oncologische behandeling + optimaal functiebehoud. Andere behandelingsvormen, zoals lasertherapie, fotodynamische therapie en cryotherapie, alsmede chemotherapie en immunotherapie nemen vooralsnog geen vooraanstaande plaats in bij de protocollaire behandeling van hoofd-halstumoren.

Bij functioneel of anatomisch inoperabele tumoren: RADPLAT indien mogelijk.

Indicaties voor postoperatieve radiotherapie 

Primaire tumor

Halskliermetastasen

Indicaties voor postoperatieve chemoradiotherapie

Behandeling locoregionaal recidief

Na primaire chirurgie : Indien mogelijk reëxcisie gevolgd door radiotherapie
Na primaire radiotherapie : Indien mogelijk chirurgie
Na combinatiebehandeling : Individualiseren, maar indien mogelijk reëxcisie, PDT, chemotherapie

Metastasen op afstand 

Indien cytostatische therapie dan bij voorkeur in onderzoeksverband
Bij longmetastasen tijdens follow-up indien mogelijk metastasectomie

Controle

1e jaar: afhankelijk van de tumor om de 1-3 maanden
2e jaar: om de 3-4 maanden
3e jaar: om de 4 maanden
4e jaar: om de 6 maanden
5e jaar: om de 6 maanden

vanaf het 6e jaar: alleen RADPLAT patiënten, adenoid cysteuze carcinomen

Bij controle