print deze pagina Normale lettertype | Groot lettertype


Echografie (7.5-12 MHz) aangevuld met cytologische punctie van de halsklieren is de meest betrouwbare techniek om occulte halskliermetastasen op te sporen.

Door de radioloog worden de volgende klieren gepuncteerd:

Wanneer er een duidelijke suspecte klier aanwezig is wordt uitsluitend deze klier gepuncteerd (8-11 mm e.d.) Wanneer er uitsluitend kleinere klieren aanwezig zijn (5-6 mm) worden meerdere klieren aangeprikt, maximaal 2-3 klieren per halszijde in de eerste echelons.

Bij de aspiratie dient het metastaseringspatroon als richtsnoer voor de lymfeklier selectie

CT en MRI kunnen de indicatie tot het verrichten van een US-FNAC vormen wanneer borderline klieren worden afgebeeld.

Wanneer de N0 hals niet behandeld is of wanneer de hals radiotherapeutisch behandeld is voor TxN+ ziekte en er dus een aanzienlijk risico bestaat op halskliermetastasen (>10%) is er een goede indicatie voor US-FNAC follow-up

Wanneer de hals chirurgisch of chirurgische en radiotherapeutisch is behandeld, is routine radiologische follow-up niet geïndiceerd omdat enerzijds de kans op een halsrecidief beperkt is en bovendien zelden curatieve opties bestaan wanneer er een recidief optreed.
 
Bij duidelijk palpabele laesies in de hals of speekselklieren gaat de voorkeur uit naar cytologische punctie door de patholoog, zonder echo wanneer cytologisch onderzoek geïndiceerd is. Hetzelfde geld voor zeer oppervlakkige laesies. In deze gevallen zal slechts voor echogeleide punctie worden gekozen indien eerdere aspiratie in mislukt of wanneer hierbij een uitslag is verkregen die het klinisch beeld niet verklaard (bv. normaal speekselklier weefsel bij een klinisch duidelijke tumor).

Omhoog