Echografie (7.5-12 MHz) aangevuld met cytologische punctie van de halsklieren is de meest betrouwbare techniek om occulte halskliermetastasen op te sporen.
- De specificiteit benaderd de 100%
- De sensitiviteit voor N0 hals ligt tussen de 20-50% afhankelijk van de onderzochte patiëntengroep en de echografist.
- Bij en klinische N+ nek is wordt aan die kant geen (echogeleide) punctie verricht, behalve in uitzonderlijke gevallen wanneer expliciet gevraagd wordt naar metastasen in de overige levels (bv om uitgebreidheid van operatie of radiotherapie te bepalen)
- Bij een klinische N0 nek is echogeleide aspiratie geïndiceerd wanneer er een reëel risico op occulte metastasen bestaat en wanneer dit behandeling implicaties heeft
- >T1 larynx
- Huidtumoren (SCC), groter dan 2 cm
- Melanomen
- Maligne speekselkiertumoren (ipsilateraal)
- alle overige N0 HNSCC, > CIS
- contralateraal bij tumoren die tegen/over de mediaanlijn groeien.
Door de radioloog worden de volgende klieren gepuncteerd:
- Echografisch verdachte klieren (bol, hypoechogeen, locale cortexverdikking etc. etc.): altijd CP (in principe ongeacht de minimale axiale diameter)
- Echografisch onverdachte klieren:
- Level I: CP indien minimale axiale diameter ≥5mm
- Level II: CP indien minimale axiale diameter ≥7mm
- Level III t/m VI: CP indien minimale axiale diameter ≥5mm
Wanneer er een duidelijke suspecte klier aanwezig is wordt uitsluitend deze klier gepuncteerd (8-11 mm e.d.) Wanneer er uitsluitend kleinere klieren aanwezig zijn (5-6 mm) worden meerdere klieren aangeprikt, maximaal 2-3 klieren per halszijde in de eerste echelons.
Bij de aspiratie dient het metastaseringspatroon als richtsnoer voor de lymfeklier selectie
- Bij mondholte en neus(bijholte) tumoren levels 1-2
- Bij oropharynx en larynx tumoren levels 2 en 3
- Bij hypopharynx en larynx tumoren bovendien paratracheale regio’s (level 6)
- Level 4 en 5 zijn zelden als eerste station aangedaan (wel bij schildklier of huidtumoren).
- Na RT komen afwijkende patronen voor.
- Bij midline tumoren, en ook bij forse unilaterale tumoren kunnen contralaterale klieren voorkomen, zeker wanneer er ipsilaterale metastasen aanwezig zijn.
CT en MRI kunnen de indicatie tot het verrichten van een US-FNAC vormen wanneer borderline klieren worden afgebeeld.
Wanneer de N0 hals niet behandeld is of wanneer de hals radiotherapeutisch behandeld is voor TxN+ ziekte en er dus een aanzienlijk risico bestaat op halskliermetastasen (>10%) is er een goede indicatie voor US-FNAC follow-up
- Na transorale excisie van T1(2) mondholte carcinomen
- Na laryngectomie zonder ND bij T4 larynx carcinomen
- Incidenteel voor de contralaterale nek bij een midline tumor waarbij er unilateraal behandeld is (niet routinematig)
- Na RT of RADPLAT van een N+ nek (specificiteit is << 100%)
- De echo dient dan om de andere policontrole (1x per 3-4 maanden) gedurende het eerste jaar te worden verricht
Wanneer de hals chirurgisch of chirurgische en radiotherapeutisch is behandeld, is routine radiologische follow-up niet geïndiceerd omdat enerzijds de kans op een halsrecidief beperkt is en bovendien zelden curatieve opties bestaan wanneer er een recidief optreed.
Bij duidelijk palpabele laesies in de hals of speekselklieren gaat de voorkeur uit naar cytologische punctie door de patholoog, zonder echo wanneer cytologisch onderzoek geïndiceerd is. Hetzelfde geld voor zeer oppervlakkige laesies. In deze gevallen zal slechts voor echogeleide punctie worden gekozen indien eerdere aspiratie in mislukt of wanneer hierbij een uitslag is verkregen die het klinisch beeld niet verklaard (bv. normaal speekselklier weefsel bij een klinisch duidelijke tumor).
