print deze pagina Normaal lettertype Groot lettertype

 

Behandeling van hoofd-halstumoren is in de eerste periode na de oprichting van het Nederlandsch Kanker Instituut in 1913 in handen geweest van algemeen chirurgen, die, werkzaam als specialisten in de stad, zich in hun vrije tijd kosteloos inzetten voor de behandeling van patiënten met kwaadaardige aandoeningen (Van Lier). De onbekendheid met het biologische gedrag van kwaadaardige tumoren enerzijds en de beperkte mogelijkheden van chirurgische behandeling anderzijds maakten dat de beschikbare behandelingen in de eerste jaren niet verder reikten dan ruime electrocoagulatie van tumoren en bestraling met radium.

Een van onze patiënten, die tot op hoge leeftijd onder controle gebleven is, heeft zijn ervaringen op schrift gesteld. Hij werd in 1928 op de leeftijd van 17 jaar behandeld voor een kwaadaardige tumor van de bovenkaak in het NKI-AVL aan de Keizersgracht 706 in Amsterdam. Hij beschreef dat hij “bij volle kennis” werd geopereerd, waarbij met “een gasvlam het een of ander werd dichtgebrand”. Tijdens het wegbranden riep de chirurg Wassink tegen de knecht die in net streepjespak achter hem klaar stond steeds “vuur, vuur”. Een week later werd de operatieholte tweemaal achtereen met een “klein buisje met radium” gevuld, dat circa 24 uur ter plaatse bleef. Naar de huidige inzichten betrof het een weinig elegante behandeling, maar gemeten naar de beperkte mogelijkheden van die tijd is het een uitkomst voor deze individuele patiënt gebleken. Hij heeft de behandeling en de tumor uiteindelijk bijna 70 jaar overleefd.

Tot het einde van de vijftiger jaren is de behandeling van kwaadaardige tumoren van mond en keelholte in het NKI-AVL grotendeels beperkt gebleven tot een vorm van electrocoagulatie en/of de implantatie van radium. De resultaten waren onbevredigend, vooral wanneer er van doorgroei van tumor in het omgevende bot of van halskliermetastasen sprake was. Het risico op terugkeer van de tumor was groot in die dagen, om nog maar niet te spreken van andere complicaties zoals afsterven van het kaakbot, infectie of fistelvorming. Volgens de mondelinge overlevering oversteeg het geschatte 5-jaars overlevingscijfer de 20% niet.

Door verbeteringen van de algehele anesthesie, de komst van de antibiotica en de toepassing van bloedtransfusies werden de mogelijkheden voor chirurgische behandeling uitgebreid. Hierdoor werd het mogelijk om in tegenstelling tot voorheen de primaire tumor en halslymfeklieruitzaaiingen in continuïteit of “en bloc” operatief te verwijderen. De eerste operaties van dit type werden uitgevoerd in het Memorial Hospital for Cancer and Allied Diseases in New York begin jaren veertig van de vorige eeuw. Om deze complexe operatie te benoemen werd de term ‘’commandoresectie’’ gebruikt, waarmee werd gerefereerd aan het geslaagde teamwork van de geallieerde “Commando Raid” bij de bevrijding van Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Het was de in Europa rondreizende chirurg dr R. Jesse van het MD Anderson Cancer Center uit Texas, USA, die Emil van Slooten er begin zestiger jaren van wist te overtuigen dat deze chirurgische benadering radicalere verwijdering van tumoren mogelijk maakte. De gevleugelde woorden in een onvervalst Texaans accent van “Cut it all out and preserve continuity”, overtuigde hem van het nut van deze nieuwe chirurgische benadering. Het is aannemelijk dat de eerste commandoresectie begin zestiger jaren in Nederland door hem werd geïntroduceerd.

Emil van Slooten

Daarna heeft deze techniek zich snel verder over Nederland verspreid en werden in 1966 de eerste behandelingsresultaten gepubliceerd door de algemeen chirurg J. Oldhoff uit het Academisch Ziekenhuis Groningen. In zijn artikel beschrijft hij dat “………het van groot belang is dat de patiënten door mondarts, radioloog, plastisch chirurg en chirurg gezamenlijk worden beoordeeld”.

Een beschrijving van een multidisciplinaire samenwerking avant la lettre, die zoveel jaar later nog niets aan waarde heeft ingeboet.

Sprekende over multidisciplinaire samenwerking vestig ik met nadruk uw aandacht op het “gezamenlijk beoordelen” waardoor ontegenzeggelijk door directe onderlinge professionele uitwisseling van argumenten optimale behandelingsadviezen kunnen worden geformuleerd. Ik ben stellig van mening dat door de toenemende complexiteit en diversiteit van de diagnostiek en behandeling van hoofd-halstumoren gezamenlijke beoordeling van de ziekte door alle betrokken specialismen een voorwaarde is om de karakteristieken van tumor en individuele patiënt efficiënt ter plekke te kunnen interpreteren.

Niet alleen door de introductie van de commandoresectie begin zestiger jaren, maar ook door het circa tien jaar eerder introduceren van de totale conservatieve parotidectomie in Nederland naar Frans voorbeeld van Henri Redon door Emil van Slooten en Koos Wieberdink werkzaam in Wilhelmina Gasthuis en het NKI-AVL, kan het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis met recht de bakermat van de hoofd-halschirurgie in Nederland genoemd worden.

Het is een volkomen terechte erkenning voor het pionierswerk in dezen dat in 1998 aan Emil van Slooten de erepenning van de Nederlandse Werkgroep Hoofd-Halstumoren is toegekend. Samen met de algemeen chirurg Sally van Coevorden heeft hij aan de hoofd-halschirurgie van het NKI-AVL verder vorm gegeven. Vanaf de jaren 50 werd er ook samengewerkt met de hoofd-hals in de persoon van W.H. Struben, die later hoogleraar in Rotterdam werd. Al in die tijd had Struben bijzondere interesse in de hoofd-halsoncologie. Zo was hij de eerste hoofd-halsarts die in het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis de hoofd-halschirurgie uitvoerde samen met de algemene chirurgen. Hij bespreekt in die jaren voor de hoofd-halsvereniging de indicaties voor radicale halsklierdissecties en doet voorstellen larynxcarcinomen in te delen naar de anatomische regio’s, een voorstel dat als voorloper van de eerste TNM-classificatie (1962) kan worden beschouwd. Ook stelt hij dat de behandeling van het larynxcarcinoom in een beperkt aantal gespecialiseerde klinieken moet plaats vinden en wijst er op dat bij deze behandeling werken in teamverband noodzakelijk is.

Vanaf het begin van de zeventiger jaren ontstond er met de komst van de chirurgisch begaafde hoofd-halsarts Wim Horrée een intensieve samenwerking tussen de hoofd-halsafdeling van het Wilhelmina Gasthuis en de snijdende groep van het NKI-AVL, waardoor hoofd-halschirurgie in bredere zin kon worden uitgevoerd. Door het combineren van de specialistische vaardigheden uit twee vakgebieden werden de mogelijkheden voor het ontwikkelen van een meer orgaangericht aandachtsgebied uitgebreid. De inspanningen van Gordon Snow in het NKI-AVL en later als hoogleraar in de VU hebben aan een verdere wetenschappelijke profilering van het vakgebied bijgedragen en de belangstelling van hoofd-halsartsen voor de hoofd-halschirurgie gestimuleerd.

Langzamerhand is niet alleen binnen de muren van het NKI-AVL maar ook daarbuiten, de betrokkenheid van de algemene chirurgie afgenomen en zijn langzamerhand het specialisme hoofd-halsheelkunde en sinds de dubbele erkenning ook Mondziekten en Kaakchirurgie in Nederland gezichtsbepalend geworden. Toen na het betrekken van de nieuwe locatie van het ziekenhuis aan de Plesmanlaan alle hoofd-halschirurgische patiënten op één afdeling, de 5e etage, werden geconcentreerd kon voor het eerst van een aparte vakgroep sprake zijn.

Sinds vele jaren worden medisch specialisten in het NKI-AVL opgeleid tot hoofd-halschirurg. Voor een lijst van de fellows, zie link